Portaal door Johan Klein Haneveld

Hallo lieve lezers van Bookstamel. Het is weer zondag en dat betekent dat het weer tijd is voor een nieuw kort verhaal 🙂 Dit keer is het verhaal geschreven door Johan Klein Haneveld het thema dat Johan had gekregen was een andere wereld. Met portaal heeft Johan daar zeker aan voldaan. Maar voordat we naar het verhaal gaan is het misschien wel zo leuk om even wat beter kennis te gaan maken met Johan.

Iets vertellen in een notendop over de boeken van Johan dat word lastig ik raadt je dan ook aan om gewoon een kijkje te nemen op Johan Klein Haneveld. Daar vind je namelijk alle informatie over de boeken die hij geschreven heeft. Wil je meer te weten komen over de auteur zelf dan raad ik je aan de live Q&A met Johan Klein Haneveld die Liz met hem deed terug te kijken. Hierin vertelt Johan je namelijk van alles over schrijven zijn boeken en nog veel meer.

Geen zin om een filmpje te kijken op mijn blog op deze pagina vind je allerlei interviews en recensies die ik in het verleden heb gedaan met Johan. Ik zou zeggen tijd om snel het korte verhaal te gaan lezen.

Kortverhaal Portaal door Johan Klein Haneveld

‘Jij bent de enige van wie ik weet dat je mijn verhaal zult geloven.’ Sybold Mozer leunde naar voren, zijn handen plat op het plastic tafelblad, een smekende blik in zijn roodomrande ogen. ‘Jij hebt immers eerder te maken gehad met parallelle universa. Je schreef dat de manieren om naar andere werelden te springen, konden worden beschreven met wiskundige formules.’

Ik zoog mijn longen vol, alsof ik op het punt stond in koud water te springen. Ik was me bewust van mijn rechte rug en gespannen spieren. Me willen verdedigen was de laatste jaren een automatisme geworden. De enige wetenschappers die tegen me over mijn boek waren begonnen, was het te doen geweest om me belachelijk te maken. Ze hadden mijn werk afgekraakt, mijn wetenschappelijke papieren in twijfel getrokken en gedreigd me van conferenties en symposia uit te sluiten. Ik had mijn lesje daardoor wel geleerd. Ook al had ik met eigen ogen een meisje zien verdwijnen tijdens het touwtjespringen, dat kon de sceptici nooit overtuigen. Bovendien wilde ik het de scholieren die aan het touw hadden gezwaaid, niet aandoen een demonstratie te moeten geven. Ik had me sindsdien verre gehouden van publicaties en alleen wat ingezonden brieven gestuurd met commentaar op artikelen in antropologische tijdschriften.

Een van de stukken waarop ik had gereageerd, was van de man die op dit moment tegenover me zat. Professor Mozer moest een jaar of vijftig zijn. Zijn huid was gekleurd als van iemand die veel tijd buiten doorbrengt, in de zon of in de vrieskou, en er stond een web van rimpels rond zijn ogen, maar zijn halflange haar was echter donker, met slechts een klein beetje grijs erin. Hij droeg een shirt met een vervaagd logo van een hardrockband. Dat hij niet oogde als een standaard antropologiedocent had een deel van mijn weerstand weggenomen. Ik bleef echter op mijn hoede. ‘Het was niet mijn bedoeling uw studie te ontkrachten. Ik wilde er alleen op wijzen dat er andere verklaringen mogelijk waren voor uw observaties. De verhoudingen van de drie balken, de hoeken waarin ze worden gehouden … Ze verwijzen misschien naar een werkelijke functie, nu of in het verleden. Ze zijn misschien niet alleen maar ceremonieel …’

Sybold knikte. Hij bleef naar me staren. ‘Dat is waarom ik met je wilde praten. Ik heb in mijn artikel niet alles beschreven wat er gebeurde. Ik was bang dat het anders niet door de peer review zou komen. Maar het blijft me dwarszitten… Ik moet het met iemand delen.’

‘Het kan nog altijd dat u probeert me in de val te lokken. U zou niet de eerste zijn die me wil laten instemmen met een samenzweringstheorie.’

‘Je hoeft niet te reageren,’ antwoordde hij. ‘Je hoeft alleen maar naar me te luisteren.’

Ik ontspande een beetje en maakte een uitnodigend gebaar. Hij zuchtte en ging rechtop zitten. Een meisje van de bediening kwam langs en haalde onze koffiekopjes weg. Ze keek ons allebei vragend aan. Ik knikte, maar de professor had al geen aandacht meer voor haar. Hij stak van wal: ‘Je weet het meeste al uit mijn artikel. Ik bracht een half jaar door in een dorp in Siberië aan de kust van de Noordelijke ijszee. Een van de moeilijkst bereikbare gebieden op Aarde. Vooral sinds door het smelten van de permafrost de toendra voor gemotoriseerd vervoer onbegaanbaar is. Ik kon gelukkig een schip huren en aan het eind van de zomer tot vlak bij het dorp varen. Het kostte enige moeite de mensen daar uit te leggen wat ik kwam doen. Er was namelijk niet eerder iemand uit ons deel van de wereld langer dan een dag bij ze gebleven. Ze spraken ook een taal die in mijn oren meer leek op oud Engels dan op de talen van de inheemse bevolking. Ik zag er mannen en vrouwen met blauwe ogen en stroblond haar. Nakomelingen van schipbreukelingen misschien, die hier in de loop van eeuwen een eigen bestaan hadden opgebouwd. Dat alleen al maakte ze interessant als studie-object. Een van de dingen die ik me voornam, was bloed bij ze af te nemen voor DNA-onderzoek.’

op dat punt onderbrak ik Sybold. ‘Dat schreef je in het artikel. Een deel van de populatie bleek oorspronkelijk van West-Europese afkomst, er was ook DNA van Siberische origine, en verder iets dat je niet thuis kon brengen. Een verontreiniging, schreef je.’

‘Wat kon ik anders? Het DNA vertoonde geen overeenkomsten met dat van enig ander monster in de databases. Het had vaag iets weg van dat van de Denisovamens, maar alleen in de verte. Het was alsof ik op een totaal nieuwe mensensoort was gestuit. De reviewers vonden echter een fout van mijn kant aannemelijker.’

‘Ik kan ze geen ongelijk geven,’ zei ik. Ik knikte hem toe. ‘Ga verder, wat viel je nog meer op?’

‘Wat ik in het artikel schreef: het centrale gebouw dat leek op een kerk. Maar er was geen kruis te zien. Wel drie balken, zwart alsof ze uit het vuur kwamen, waarvan één wat korter was dan de andere. Ze hingen in touwen aan de wand. Ik zag er ook gouden en zilveren borden en potten. Die moesten uit een ver verleden stammen, want niets in het dorp suggereerde dat de mensen er nog steeds zulk verfijnd werk konden maken. Ze droegen ook kleding van fijn geweven stoffen, zo dun dat het leek alsof ze er niet warm onder konden blijven. Maar dat was nog niet het vreemdste. Dat was wat ze me te eten gaven …’

Bijna in weerwil van mezelf boog ik me voorover. Ik moest toegeven dat ik door zijn verhaal gegrepen was. ‘Wat was daar zo bijzonder aan?’

‘De meeste volken in die regio eten zeeleeuwen of walrussen. Misschien rendieren. Maar ik heb ze nooit op jacht zien gaan. Ik zag ze nooit op zee varen. Er waren geen harpoenen. Toch zetten ze me gebraden vlees voor. In overvloed.’

‘Wat was het? Robbenvlees?’

Sybold schudde zijn hoofd. ‘Dat heeft een typische smaak. Dit proefde niet eens als wild. Rundvlees. Varkensvlees. Maar pezig. Mager. Er zat geen grammetje vet aan.’

‘Vroeg je niet waar ze het vandaan hadden?’

‘Natuurlijk! Maar ze weigerden antwoord te geven. Allervriendelijkst hoor, maar kennelijk was dit een taboe, verboden voor mensen van elders. Net als de rituelen van ze eens per maand bij nieuwe maan.’

‘Daar laten ze je meestal pas aan meedoen wanneer je hun vertrouwen hebt gewonnen,’ zei ik wijs, ook al was ik zelf nooit op een volkenkundige expeditie mee geweest.

‘Daar werkte ik ook hard aan,’ vervolgde de professor. ‘Eens per maand moest ik de nacht doorbrengen in een hut, de ramen geblindeerd, de deur op slot. Ik hoorde juichen, maar ook angstschreeuwen. Geluiden die ik niet kon thuisbrengen. Ik had vriendschap gesloten met het dorpshoofd. Na vijf maanden en een week besloot hij dat ik van het ritueel getuige mocht zijn. Een hele eer, want nooit eerder was er een buitenstaander toegelaten.’

Ik onderbrak hem: ‘Dat weet ik uit je artikel. Je mocht toekijken vanuit de deuropening van de kerk. Het hele dorp was verzameld. De hoofdman droeg een ceremonieel gewaad van een of andere glanzende stof. Iedereen zwaaide op zijn plek heen en weer. Ondertussen zette hij de drie zwarte balken tegen elkaar. De korte op de grond. De twee andere in een punt erboven. De uiteinden pasten in elkaar. Het was een driehoek. Mensen juichten. Een bijzonder ritueel. Ik heb nergens iets gelezen wat er ook maar op lijkt. Zelfs niet in het boek over sektes van Von Junzt.’

‘Het was inderdaad uniek.’ De bediening kwam langs met mijn koffie. Ik pakte een papieren zakje met suiker, scheurde het open en strooide de inhoud in de dampende vloeistof. De professor staarde ondertussen naar het tafelblad, alsof hij zich schaamde voor wat hij had waargenomen. Pas toen het meisje zich weer buiten gehoorsafstand bevond, keek hij weer naar me op. Een spiertje in zijn ooglid leek te trillen.

‘Von Lundt beschrijft veel bizardere rituelen,’ zei ik, in een poging hem op zijn gemak te stellen. ‘Ceremonies vol seks, geestverruimende middelen. Bloed van offerdieren. Mensenoffers. Daar valt een zwarte driehoek toch zeker bij in het niet?’

Sybold fluisterde: ‘De tweede helft van het gebeuren heb ik weggelaten uit mijn verslag.’

‘Je beschreef dat het dorpshoofd de driehoek bewoog? Hij zette het in een hoek?’

‘Het leek heel specifiek te zijn. Toen hij een stap achteruit deed, bleef de driehoek op zijn plek staan. Misschien zat er een kuil in de grond die me niet was opgevallen, maar ik wist zeker dat hij had moeten omvallen. Hoe dan ook, de mensen leken iets te verwachten. Ze kwamen van hun plek overeind. Ik moest op mijn tenen staan om te zien wat er vervolgens gebeurde. Vanuit de scheve driehoek verscheen een man.’

Hij keek me aan alsof hij wilde dat ik op zijn verhaal zou reageren, maar ik zei niets. Wel hoorde ik mijn hart bonzen. Mijn keel was droog geworden. Snel nam ik een slok van mijn koffie.

‘Een man,’ herhaalde Sybold. ‘Zoals ik er nog nooit één gezien had: lang, met een gouden huid en overhangende wenkbrauwen. Zijn haar was wit als sneeuw. Natuurlijk dacht ik dat ik het me verbeelde. Maar wat ik niet zou hebben verzonnen, was dat hij gekleed was in lompen. Bruine en grijze lappen, met een riem om zijn middel bij elkaar gehouden. Verder was hij mager. Ik kon zijn ribben tellen en zijn wangen waren ingevallen. Er zat vuil op zijn benen en zijn ellebogen en ik zag doffe plekken op zijn voorhoofd. Hij deed een stap naar voren en keek om zich heen. Zijn eerst in zichzelf gekeerde blik werd er een van verbazing, vervolgens van dankbaarheid. Hij liet zich op zijn knieën vallen en hief zijn handen op naar het hoofd van het dorp …’

Hij schudde zijn hoofd. Zijn stem klonk droevig. ‘Ik dacht dat die wel verbaasd zou reageren, maar hij grijnsde alleen maar, en wenkte naar de mensen achter hem. Plotseling haalden die van onder hun jassen wapens tevoorschijn. Knuppels, messen en bijlen. Meer mannen en vrouwen stonden plotseling voor de driehoek. Ze hadden allemaal dezelfde gouden huid en witte haren als de eerste. Maar ze zagen er ook allemaal ondervoed uit en ziekelijk. Een jonge vrouw hield een jongetje op haar heup. Zijn buik was rond als een voetbal, maar zijn ledematen waren dun als takken. Een ander trok aan een touw een rundachtig dier met zich mee. Het was groter dan een koe van hier, met een gewei dat leek op dat van een hert. Maar het dier had een holle buik en trilde op zijn poten. Het dorpshoofd duwde tegen de driehoek, zodat die kantelde. Dat was voor de anderen het signaal. Gillend, brullend, tierend stortten ze zich naar voren. De nieuw aangekomenen verdedigden zich niet. De dorpelingen bleven op ze inhakken, lang nadat ze onder kun klappen en steken op de grond waren gevallen …’

Ik had vol aandacht naar zijn verhaal geluisterd. Niet langer meende ik dat de professor me iets op de mouw probeerde te spelden. Daarvoor bevatte zijn verslag teveel unieke details. Bovendien leken zijn ervaringen op de mijne, vooral wat betreft het gebrek aan vuurwerk of vonken bij het overgaan van de ene realiteit naar de andere. Zijn woorden bevestigden mijn theorie. ‘De balken waren inderdaad niet alleen maar ceremonieel. De specifieke vorm ervan, op een specifieke manier bewogen onder specifieke omstandigheden, kan een poort naar een parallelle wereld openen.’

‘Waar deze mensen hun voordeel mee doen.’

‘Er is één aspect dat ik nog niet snap,’ zei ik. ‘Je vertelde dat de mensen met het witte haar huid armoedige, versleten kleding droegen. Maar de dorpelingen hadden luxueuze gewaden en gouden en zilveren voorwerpen. Een enorme rijkdom. Hadden ze die dan niet uit dat andere universum?’

‘Jawel,’ kwam het antwoord. ‘Ik vroeg het hoofd van het dorp ernaar toen ik de volgende dag met hem sprak. Het kostte me moeite mijn afkeer van hun ritueel niet te laten blijken. Hij vertelde dat het anders was in de tijd van zijn vader en helemaal in de tijd van diens ouders. De dieren die voor de driehoek verschenen, waren toen nog groter en zonder gebreken. De mannen en vrouwen blaakten van gezondheid en droegen kleding van stevige stoffen zonder lappen of scheuren. En nog eerder kwamen ze de driehoek door met goud en zilver en wapens die bliksems konden sturen. Die rijkdommen worden nu nog van generatie op generatie doorgegeven.’

‘Elke maand verdwijnen er dus mensen en dieren uit de wereld aan de andere kant van de driehoek. Zonder dat iemand daar weet wat er aan de hand is.’

Sybold zuchtte. Vervolgens keek hij naar me op. In zijn blik zag ik dankbaarheid omdat ik hem geloofde, maar ook een blijvende verwarring. Een medestander vinden was natuurlij niet hetzelfde als het overtuigen van de wetenschappelijke gemeenschap, vooral niet wanneer die medestander zelf niet onbesproken was. ‘Wat moeten we nu? Ik wil niets liever dan een einde maken aan deze barbaarse praktijken, maar tegelijk is dit een ontdekking die al onze theorieën op de kop kan zetten. Dit fenomeen mag niet verloren gaan voor de wetenschap.’

‘We moeten een nieuwe expeditie organiseren,’ concludeerde ik. ‘Alles vastleggen. Als dat gebeurd is, kunnen we het dorp misschien overtuigen dat er minder wrede manieren zijn om in hun onderhoud te voorzien.’

Opluchting streek over Sybolds gezicht als een zonnestraal. Zijn rug was meteen een stuk rechter en daadkracht schitterde in zijn ogen. ‘Ik wist dat het een goed idee was met jou te praten.’

Zo kwam het dat ik een paar maanden later uit een pas gelande helikopter stapte. Een kille wind rukte aan mijn jas. Ik bracht mijn handen naar mijn mond om er warmte in te blazen. Om me heen lag een uitgestrekt landschap van mos en gras en in de schaduwen stoffige resten sneeuw. In de kuilen glom water met daarboven wolken muggen. Ik had mezelf gelukkig met insecten werende spray bespoten. Professor Sybold Mozer kwam achter me aan, met op zijn schouders een grote rugzak o. Hij grijnsde breed, alsof hij zich op de toendra vlak bij de Noordelijke IJszee prima op zijn gemak voelde. Hij wees naar het noorden, waar ik in de verte een verzameling hutten zag. En iets als een kerktoren. Het uitzicht deed me huiveren, alsof hier iets onze werkelijkheid was binnengedrongen dat er niet thuishoorde. Ik liep achter Sybold aan in de richting van het dorp.

Toen we ongeveer halverwege waren, bleef de professor staan. ‘Vreemd,’ zei hij. ‘Je zou denken dat ze ons wel tegemoet zouden komen. Een helikopter, ook zo ver van het dorp, zou hun aandacht moeten trekken. Maar er is niemand. Ik zie ook geen rookpluimen boven de daken. Er is geen enkel teken van leven.’

Hij had gelijk. Het dorp oogde uitgestorven. We liepen langzamer verder. Ik moest mijn best doen niet snel te gaan ademen en was me ervan bewust dat ik zweette. Het ongemakkelijke gevoel verdween niet toen we tussen de eerste huizen aankwamen. Nog steeds was er niemand die ons welkom heette. Sybold duwde een van de deuren open. Toen hij naar me terugkeerde, zag hij bleek. ‘Twee lichamen. Helemaal vermagerd. Ze bewogen niet meer.’

In een ander huis vond hij een vrouw die nog leefde, al was ze koortsig. Sybold gaf haar een paar happen van onze rantsoenen en een slok water. ‘We moeten kijken wie er nog meer zijn overgebleven,’ zei hij ontdaan. ‘Misschien kunnen we ze redden.’

‘De piloot kan hulp inroepen,’ antwoordde ik. ‘Maar laten we eerst een blik werpen in de kerk.’

Hij knikte, maar het ging niet van harte. In het gebouw was het donker. De zwarte balken hingen niet tegen de wand, zoals de professor had beschreven, maar lagen dwars over elkaar op de grond. Vlak daarvoor vonden we het hoofd van het dorp, herkenbaar aan zijn gewaden. Ook hij was vel over been. Ik hurkte bij hem neer en zette mijn wijsvinger en middelvinger in zijn nek op de plek van zijn halsslagader. Ik voelde geen hartslag meer. Maar ook aan zijn blauwachtige huid was te zien dat hij niet meer te redden was. Zijn uitgestrekte hand die op een van de balken lag, was zo stijf dat het me moeite kostte hem opzij te schuiven.

Sybold stond achter me. ‘Nu kunnen we nooit bewijzen wat hier gebeurde.’

‘We kunnen het proberen,’ zei ik. ‘Als jij nog weet in welke hoek de driehoek stond.’

Hij haalde zijn schouders op. Toch hielp hij me de balken op hun plek te hijsen. Ze bleken aan hun uiteinden in elkaar te passen.

De resulterende driehoek had een bijzonder effect op me. Mijn handen gingen trillen en ik voelde me duizelig. Alleen zo al had de vorm effect op zijn omgeving. Misschien waren alle rituelen eromheen niet eens nodig, was dat slechts aankleding geweest. Het kon zijn dat voor het effect de juiste hoek al volstond.

Ik wenkte Sybold. Hij zorgde dat onze constructie op de plek stond van het ritueel en trok de top ervan opzij. Ik was even bang dat het bouwsel zou instorten, maar uiteindelijk liet de professor de zwarte balk los. De driehoek rustte op één punt, maar bleef staan zonder te wankelen. Ik deed een stap naar achteren. Mijn luchtpijp had zich zo vernauwd dat het was alsof ik door een rietje moest ademen. Plotseling voelde ik een bries op mijn gezicht. Ik keek om me heen. Het tochtte in het kerkgebouw, maar deze lucht was niet fris. De wind voelde eerder warm, als op een zomerse middag thuis.

Mijn blik viel op de driehoek. Die oogde niet bijzonder. Ik ging bijna denken dat ik me vergist had, toen Sybold plotseling begon te hoesten. Mijn keel kriebelde ook. Ik zag zwevende deeltjes in de lucht voor me. Eerst klein, toen groter. Grijze vlokken. Ik stak mijn hand op, zodat ze op mijn huid landden. Er was geen twijfel over mogelijk. De atmosfeer raakte gevuld met as. Er verschenen geen mannen en vrouwen in de kerk. Geen dieren. Dit was het enige dat ons nog bereikte vanuit de parallelle realiteit.

Achter mij hoorde ik voetstappen. Professor Mozer liep terug naar de deur van de kerk. Ik kon me echter niet van mijn plek losrukken. Bij het incident met het touwtjespringen had een monster uit de andere wereld zich in de onze doen gelden. Dit keer waren het echter mensen geweest die voor het andere universum de monsters waren.

EINDE

Super bedankt Johan voor dit korte verhaal! Ik heb er enorm van genoten.

Liefs, Melanie

*** Let op bloggen is een hobby voor mij, ik heb dan ook niemand die mijn teksten na kijkt op spelling want dat zou mij een paar 100 euro in de maand kosten. Ik heb dyslexie dus de kans is groot dat er hier en daar een spelfoutje in de tekst staat. Ik doe er alles aan om deze te voorkomen maar helaas is dat niet altijd mogelijk. ***

Bookstamel

Al jaren lang lees ik heel veel boeken. Daarom ben ik uiteindelijk een blog begonnen waar ik mijn passie voor boeken deel.

Dit vind je misschien ook leuk...

0 0 stemmen
Artikelbeoordeling
Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
0
Zou graag je gedachten willen weten, s.v.p. laat een reactie achter.x