Kortverhaal: Vleugels en Schaduw door Arlieke van Remmerden

Hallo lieve lezers van Bookstamel, Het is weer tijd voor een nieuw verhaal op zondag 🙂 Genieten jullie ook zo van deze verhalen? Ik vind het zo leuk om te zien hoe elke auteur weer totaal anders schrijft. Vandaag is het verhaal geschreven door Arlieke van Remmerden. Ze heeft het verhaal de titel Vleugels en Schaduw gegeven.

Maar voor we naar het korteverhaal gaan is het natuurlijk leuk om Arlieke eerst wat beter te gaan leren kennen. Je kunt Arlieke natuurlijk beter leren kennen door het interview met Arlieke te lezen dat ik eerder al geschreven heb. Maar even in het kort. Arlieke van Remmerden, is 27 lengtes jong en komt uit het mooie en kleine Ens (Noordoostpolder). Arlieke heeft veel creatieve hobby’s, zoals schilderen en haken, maar haar grootste passie is altijd schrijven geweest. Ze schrijft het allerliefst op het strand. Als ze dan even vastloopt tijdens het schrijven kijkt ze even na de zee en krijgt ze weer vollop inspiratie. Helaas kun je niet altijd op het strand schrijven. Als ze niet op het strand kan schrijven dan schrijft ze overal en nergens van de bank tot de eettafel. Arlieke debuteerde met haar boek Asquil een lange reis.

Ik wens jullie heel veel plezier met het korte verhaal Vleugels en Schaduw laat je in een reactie weten wat je er van vindt?.

Vleugels en Schaduw.

‘Schiet nou op,’ mompelde Nora binnensmonds. Ze keek nog eens om zich heen. Waar was hij? Hij had toch gezegd dat ze naar deze poort moest komen? Zou er iets gebeurd zijn, iets waardoor hij nu niet hier kon zijn? Ze verschoof nerveus het gewicht van haar ene been naar haar andere been. Zonder hem kon ze de stad niet verlaten. De stadswachten controleerden iedereen die de stad in en uit ging.

Vanachter een raam zag ze een vrouw naar haar kijken. Ze had hier al te lang gestaan. Het viel op. Nora sloeg haar mantel dichter om zich heen. Er zat niets anders op dan teruggaan naar huis en het morgen nogmaals proberen. Met een zucht begon ze aan de terugreis.

De straten waren al grotendeels uitgestorven. Door de kieren van de gesloten luiken was het licht van de haardvuren te zien. Uit sommige huizen klonk vrolijk gelach. Ze moest een brok in haar keel wegslikken. Wat miste ze dat geluid. In haar familie was er niet meer gelachen sinds de aankondiging van de koning.

Nora sloeg de hoek om. Ze was te laat met haar hand voor haar mond slaan en een hoge piep ontsnapte. Snel vluchtte ze terug het steegje in, waar ze zich op de grond tegen de muur liet vallen. Ze deed een schietgebedje naar de vijf goden dat ze niet was opgemerkt. Wachters! Voor het huis waar ze zich schuil hielden! Voorzichtig keek ze de straat weer in. In het schemerlicht kon ze nog net zien dat de mannen rondom iemand stonden. Oma. Nora beet hard op haar lip om een tweede gilletje tegen te houden. De vleugels van haar oma sprankelden in het licht.

Nora wist dat ze moest rennen. Vluchten. Dat had haar oma er de laatste jaren wel ingestampt. De stem van haar oma echode nog door in Nora’s hoofd. ‘Als mij iets overkomt, dan moet je ervoor zorgen dat je een veilige plek vindt. Beloof het me.’ Nora liet haar rug weer tegen de muur rusten. Ze wist wat ze moest doen, dus waarom kon ze het niet? Het gegil van haar oma galmde door de straat. ‘Beloof het me.’

‘Ik beloof het,’ fluisterde Nora. Ze duwde haar nagels diep in haar handpalm en concentreerde zich op de pijn. Ze dwong zichzelf overeind te komen. Haar voeten kwamen in beweging zonder dat ze er veel voor hoefde te doen. Haar intuïtie nam haar lichaam over. Ze rende, zonder op te letten waar ze eigenlijk heen ging.

Prachtige tekening die Arlieke maakte bij haar verhaal.

Nora stopte pas een paar straten verder. Ze klapte dubbel en kwam op adem met haar handen op haar knieën. Haar hart bonkte tegen haar borst. Haar hoofd wilde niet bevatten wat ze zojuist had gezien. Het was een nachtmerrie. Ze ging rechtop staan. Ze herkende de straat, waar ze terecht was gekomen, niet. Dat kon maar één ding betekenen. Ze was in de achterbuurt van de stad.

Perfect. Niemand zou een zeventienjarig meisje hier zoeken. Met goede reden. Dit was waar criminelen hun zaken deden. Een mooie plek om de nacht door te brengen. Ze keek om zich heen. Waar zou de Martelende Dame zijn? Haar oma had haar gewaarschuwd uit deze buurt weg te blijven, maar ze had nog een keer extra gezegd dat ze nooit die herberg binnen moest gaan. Nu had ze geen andere keuze. Ze koos een richting.

De zon was al volledig onder toen ze de herberg eindelijk vond. Hij was verstopt in een doodlopende straat. Aan de buitenmuur hing een bord van een vrouw met een dolk in haar hand. Er was één raam aan de voorkant en het bijbehorende luik hing scheef. Ondanks dat het al laat op de avond was, klonk er nog veel geluid in het gebouw. Nora deed een stap dichterbij. Ze hoorde gelach, gezang en geroep. Het klonk niet slecht, maar ze wist heel goed dat schijn kon bedriegen. Ze trok haar kap verder over haar hoofd. Alles zou goed komen, vertelde ze zichzelf, zolang ze verborgen kon houden wat ze was. Ze ademde in en stapte naar binnen.

Niemand keek op. Niemand was geïnteresseerd in de zoveelste persoon die binnenkwam met een kap over haar ogen. Nora was blij met haar reiskleding. In haar normale kledij was ze veel meer opgevallen. De herberg was min of meer wat ze ervan verwacht had. Het stond vol met houten tafels met stoelen die niet bij elkaar pasten. Zonder te veel naar de bezoekers te staren, zag ze al dat het allemaal ongure types waren. Mannen en vrouwen in donkere gevechtskleding, pantser en foedralen aan hun riemen. De wapens lagen op tafel. Nora vroeg zich af waarom dat was. Zou dat een teken van vertrouwen zijn? Ze voelde het gewicht van haar eigen dolk tegen haar heup. Die hield ze toch liever dicht bij zich zolang ze hier was.

Ze liep naar de waard, die achter de bar stond. Hij was een dwerg met een grijze baard die tot zijn knieën kwam. Er zaten meerdere vlechten in. Op zijn hoofd groeide geen haren meer. Ook hij droeg een leren pantser en had wapens aan zijn riem. Hij keek niet op.

Nora schraapte haar keel. ‘Pardon, meneer?’ Ze wist meteen dat ze een fout had gemaakt. Haar woorden waren veel te beleefd voor een plek als deze. Andere mensen aan de bar keken haar geïnteresseerd aan. Helaas was de dwerg er daar niet een van. ‘Heeft u nog een vrije kamer?’ vroeg ze iets harder.

De dwerg kreunde en deed een stap in haar richting. ‘Geld?’

‘Oh, natuurlijk,’ stamelde Nora. Ze greep haar tas en viste erin. Natuurlijk lag de kleine beurs helemaal onderop.

De dwerg zuchtte geïrriteerd. ‘Ik heb nog ander werk te doen, hoor.’

Nora slikte. ‘Sorry.’ Ze trok de beurs tevoorschijn. Ze keek op, van plan te vragen hoeveel ze moest betalen, en zag een bord aan de muur.

1 nacht – 1 zs

Nora pakte een zilverstuk en legde hem op de bar. De waard controleerde hem. Hij graaide onder de bar en trok een roestige sleutel tevoorschijn, die hij voor haar neer smeet.

‘Kamer twaalf.’

Nora pakte de sleutel en boog kort haar hoofd. Zo snel ze kon, zonder op te vallen, bewoog ze richting de trap. Ze klom omhoog. Kamer twaalf was halverwege de gang. Ze opende de deur en keek rond. Het was een gedeelde kamer, maar het andere bed was nog leeg. Ze hoopte dat dat zo bleef. Het werd al moeilijk genoeg om te kunnen slapen. Als ze haar vleugels niet kon spreiden, werd het niet comfortabeler. Ze ging zitten op het krakkemikkige bed het dichtst bij het raam. Zou ze daar doorheen passen in een noodgeval? Ze had nog nooit geprobeerd om tijdens een val haar vleugels uit te slaan. Ze had net geleerd hoe ze snelheid kon maken, toen de koning zijn beslissing had gemaakt.

Zijn wetenschappelijke adviseurs hadden ontdekt hoe ze de magie uit de vleugels van feeën konden halen. Één paar vleugels was voldoende om het leger van de koning voor een dag van magische ondersteuning te voorzien in hun gevecht tegen de schaduwen. Nora huiverde. Het had haar geschokt hoe snel de mensen zich tegen de feeën hadden gekeerd. Duizenden van haar soort waren al opgepakt, de rest zat ondergedoken. Nora en haar oma hadden onderdak kunnen vinden bij Caisey’s familie. Wat zou er met haar vriendin gebeuren nu de wachters daar achter waren gekomen? Hoe waren ze er eigenlijk achtergekomen?

Nora ging op haar buik liggen. Dit was niet het leven waar ze van had gedroomd. Ze was van plan geweest haar eigen winkel te openen, zodra ze genoeg geld had. Uit haar tas haalde ze haar schetsblok en ze keek naar de laatste jurk die ze had ontworpen. De raglanmouwen accentueerden de hartvormige halslijn. Ze was er ontzettend trots op geweest. Ze sloeg de pagina om en pakte de brief van haar vader. Voor een gewoon persoon was het een normale brief van een vader naar zijn dochter en de tekens aan de zijkant leken niet meer dan betekenisloze krabbels. Nora had het echter meteen herkend als het geheimschrift dat zij met haar vader had bedacht op zesjarige leeftijd. Het beschreef de coördinaten van de legendarische vliegende stad.

De deur ging open en Nora klapte snel het schetsblok dicht. Ze deed net of ze sliep en gluurde door haar wimpers naar de persoon die binnenkwam. Een donkere kap verborg het gezicht. Met grote passen liep de gedaante naar het andere bed en liet zich erin vallen. Nora durfde niet te bewegen. Haar vleugels jeukten. De doek om haar oren en voorhoofd was warm. Ze kon de tranen niet tegenhouden en huilde zachtjes in haar kussen.

Nora werd wakker van een luid gestommel. Ze opende haar ogen en keek de kamer door. Het duurde even voordat ze zich herinnerde waar ze was. De andere persoon was zo te zien uit zijn bed gerold en worstelde nu tegen de dekens. Ze overwoog hem te helpen. Dat was wat ze wilde doen. Ze was alleen bang dat hij het zou zien als dreiging als ze dichterbij kwam. Alhoewel, hoe kon iemand hulp zien als een dreigement? Ze sloeg de deken van zich af en kwam overeind. Ze had haar eerste stappen richting de ander al gezet, toen de deken van hem afviel. Nora bevroor.

Uit zijn rug groeiden twee prachtige vlindervleugels. Ze waren zwart en blauw en hadden een ingewikkeld patroon. Dit waren de mooiste vleugels die ze in haar leven had gezien.

‘Wauw.’

De jongen draaide zich om en staarde haar met vurige ogen aan. Hij greep zijn dolk en schoot op haar af.

Voor ze er iets tegen kon doen, stond Nora tegen de muur gedrukt met een arm over haar nek. De dolk hing dreigend boven haar hoofd. Hij zou het wapen in haar borst duwen en haar vermoorden. ‘Wacht,’ piepte ze.

Hij wachtte niet. Hij bracht de dolk met een vaart naar haar toe. Nora reageerde als vanzelf. De dolk vloog door de lucht en kwam met de punt in de dichte deur terecht. Hij keek van het wapen terug naar haar en zonder een woord te zeggen, trok hij de doek van haar hoofd, waarmee hij haar blauwe voorhoofd onthulde. Meteen verzachtte zijn blik. ‘Oh.’ Hij liet haar los.

Nora zakte trillend naar de grond. Ze wreef over haar nek, waar hij haar had vastgehouden. ‘Je zou op z’n minst je excuses kunnen aanbieden,’ snauwde ze.

De jongen bevrijdde de dolk uit de deur. ‘Waarvoor?’

Nora trok zichzelf omhoog aan het bed. Meende hij dit? ‘Voor het feit dat je me bijna hebt vermoord!’

‘Oh, dat.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Dat begrijp je toch wel? Het was mijn leven of dat van jou. Dan kies ik voor mezelf.’

Ze huiverde. Dat was wel een heel gemakkelijke manier om over een moord te denken. Ze pakte haar schetsblok, die tijdens haar slapen op de grond was gevallen, en stopte het terug in haar tas. Daarna ging ze op de rand van het bed zitten. ‘Dus je bent een fee.’

Weer keek hij haar aan met die bloeddorstige blik. ‘Ben je gek?’ siste hij. Hij wees naar de deur. ‘Weet je wat sommigen daarbuiten zouden doen met die informatie? Weet je hoeveel wij waard zijn? Doe me een lol en houdt je bek.’

Een traan ontsnapte uit haar ooghoek en ze veegde hem zo onopvallend mogelijk weg. Te laat, hij had het gezien. Hij bestudeerde haar.

‘Je hebt geen idee wat je aan doen bent of wel?’

‘Ik weet in ieder geval hoe ik mijn…’ Haar volume stierf weg toen ze zijn blik zag. ‘Hoe ik mijn je weet wel wat verborgen moet houden.’

De spieren in zijn nek verstrakten. Hij keerde haar de rug toe en klapte zijn vleugels in. Hij greep de deken van de grond en ging weer in zijn bed liggen.

Nora zuchtte. Ze wist dat ze iemand nodig had. Als ze haar oma hadden gevonden, dan was het onwaarschijnlijk dat Thomas haar nog kon helpen. Caisey’s broer was een stadswacht. Hij zou haar hebben geholpen de stad te ontvluchten de vorige dag. ‘Ik weet alleen niet hoe ik weg kan komen uit de stad,’ fluisterde ze.

De jongen rolde om, zodat hij in haar richting keek. Pas nu kon ze zijn gezicht goed zien. Hij kon niet heel veel ouder zijn dan zijzelf was. Hij had donkere haren en zijn oren waren puntiger dan die van haar. Zijn ogen waren geel met een rode ring aan de buitenkant.

‘Wat is je naam?’

‘Nora.’

Hij haalde zijn wenkbrauwen op. ‘Echt?’

Ze knikte. Ze ging niet toegeven dat het haar middelste naam was. Het was ook de middelste naam van haar moeder geweest en een van de enigste dingen die ze nog van haar moeder had. Toen ze elf jaar was had ze haar oma gevraagd haar Nora te noemen.

‘Ik ben Berrian.’ Hij stond op en ging naast haar zitten. ‘Ik heb een plan om zo te ontsnappen. Wil je met mij…?’ Hij viel stil en spitste zijn oren.

Nora wist precies waarom. Ze had het zelf ook gehoord. Het geblaf van honden. Hij sprong overeind en trok haar mee naar het raam, waarvan hij de luiken open duwde. Er stroomde oranje licht van de opkomende zon naar binnen. ‘Kom op.’ Hij klom op de vensterbank en sprong.

Nora rende geschrokken naar het raam en keek naar beneden. Berrian was veilig op de grond geland en zwaaide naar haar. Ze keek achterom, het zou niet lang duren voordat de honden haar geur te pakken hadden. Of waren er behalve haar en Berrian nog meer feeën verstopt in de herberg?

‘Kom op, Nora. Wees niet zo’n watje,’ mompelde ze. Ze greep haar tas van de grond. Ze klom op de vensterbank en keek naar beneden. De hoogte duizelde haar. De ironie daarvan ontging haar niet. Iemand die kon vliegen hoorde niet bang te zijn voor hoogtes. Weer hoorde ze de honden. Ze had geen keuze, dit was haar enige kans. Ze trok haar mantel van haar schouders en rolde hem op in een bal, die ze tegen zich aan drukte. Gewoon doen. Ze sprong en ontvouwde haar vleugels. Ze voelde de wind ertegenaan slaan. Het voorkwam dat ze kon fladderen. Ze gilde, tot ze plotseling merkte dat ze vertraagde.

Berrian had haar gevangen en hielp haar naar de grond. ‘Ik zei toch dat je je mond moest houden,’ beet hij haar toe, maar deze keer klonk er al een stuk minder haat in zijn stem. Hij zette haar neer en trok haar mee.

Ze renden tot ze op een plek kwamen die Nora wel herkende. Ze waren vlakbij de stadsmuur. In deze buurt hadden veel feeën gewoond. Berrian trapte de deur van een verlaten huis open. Nora volgde hem naar binnen. Ze sloeg de mantel weer om haar schouders, zodat haar vleugels verborgen waren.

‘Dank je,’ fluisterde ze.

Berrian bedekte zijn eigen vleugels ook. ‘Heb je nooit geleerd te vliegen?’ Weer klonk de woede door in zijn stem.

Nora draaide met haar ogen. ‘Kun je misschien ook normaal praten? Ik heb je niets misdaan.’

Hij haalde diep adem en plofte neer op een stoel. ‘Het spijt me,’ zei hij met een zachtere toon. ‘Je weet niet hoe makkelijk het is om de omgang met anderen te verleren.’ Hij gebaarde naar een andere stoel en ze ging zitten.

‘Ik heb drie jaar ondergedoken gezeten, ik denk dat ik wel een idee heb.’ Ze pakte het kleine vlechtje dat ze in haar haren had gemaakt en begon het los te peuteren. ‘Je had het erover dat je een plan hebt om te ontsnappen?’

‘Ik hád een plan, dat gaat nu niet meer. Een vriend zou me de stad uit smokkelen achterin zijn kar. Hij zou me oppikken vlakbij de Martelende Dame, maar daar zal het nu wel krioelen van de wachters.’

‘Oh.’ Ze pakte hetzelfde plukje weer en maakte de vlecht opnieuw. ‘Het spijt me als je door mij je kans hebt gemist om te vluchten.’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik verzin wel een andere manier.’

Nora keek om zich heen. Ze wist niet meer zo goed wat ze moest zeggen. Het huis was overduidelijk van feeën geweest. Ze zag de afbeeldingen van de vijf goden. Haar blik bleef rusten op het stenen beeld van de oppergodin Ela’daín, de godin die de feeën hun vleugels en magische krachten had geschonken. Ze dacht terug aan de dolk die een vlucht had gemaakt door de kamer. Het was niet de eerste keer dat ze haar luchtmagie had gebruikt. Het was wel de eerste keer dat ze dat had gedaan zonder erover na te denken. Ze bewoog haar vingers en een kleine wervelwind ontstond boven haar hand. Ze liet het op en neer stuiteren.

‘Dat is niet slecht.’ Berrian pakte een paar munten uit zijn binnenzak en liet ze naar haar hand vliegen. Nora liet ze een paar keer ronddraaien en stuurde ze terug. Ze voelde de lach op haar gezicht. Het was fijn om weer een keer volledig zichzelf te kunnen zijn. Hij pakte de munten uit de lucht en borg ze weer op. ‘Wat is je plan zodra je de stad uit bent?’ vroeg hij.

Ze keek hem aan. Kon ze hem vertrouwen? Hij was een fee, net als zij. Ze besloot het erop te wagen. ‘De vliegende stad.’ De heilige stad van de feeën, de plek waar de godin hen had gemaakt. ‘Voordat hij werd opgepakt heeft mijn vader de locatie ontdekt.’

‘Heb je een reisgenoot nodig?’

Verbaasd keek ze hem aan. ‘Je gelooft me?’ De meeste feeën dachten dat de vliegende stad niets meer was dan een legende.

Berrian haalde zijn schouders op. ‘Soms is het niet erg om te dromen, toch? En het klinkt beter dan alle andere mogelijkheden.’

‘Van mij mag je mee. Het is wel zo gezellig om iemand te hebben met wie ik kan praten,’ antwoordde Nora. ‘Maar dan moeten we eerst de stad uit komen.’

‘Ik denk dat je me daar een idee voor hebt gegeven.’

Ze wachtten tot de avond weer was gevallen. Berrian hielp Nora met het verbergen van haar vleugels en zij deed hetzelfde voor hem. Nora vroeg zich af wat zijn plan was. Hij had er nog niets over gezegd.

Berrian wierp een blik op de straat om te controleren of er niemand in zicht was. Hij stapte naar buiten. Voor de zekerheid deed Nora hetzelfde. De straat was uitgestorven. Het enige geluid dat te horen was kwam van ver. De laatste mensen die nog van werk naar huis gingen. Ze volgde Berrian de straat op.

‘Wil je me al vertellen wat je plan is?’ fluisterde ze.

‘Kom nou maar mee, dan merk je het snel genoeg.’

Ik zal wel gek zijn. Ze kende hem niet eens, dus waarom was ze zo bereid hem te volgen? Ach, doe niet zo naïef, dat weet je best. Hij was de enige mogelijkheid die ze nog had om te ontsnappen. Ze rende achter hem aan.

Hij stopte in zicht van de stadsmuur, ergens tussen twee poorten in. Bovenop de muur liepen twee wachters met kruisbogen. Nora keek Berrian niet-begrijpend aan. Was hij van plan de muur te beklimmen?

‘Ken je de term luchtspiegeling?’ vroeg hij fluisterend.

Nora knikte.

‘Ik kan een luchtspiegeling rondom jou creëren terwijl jij omhoog vliegt, zodat ze jou niet zien. Jij kan dan de wachters doden.’

Wat? ‘Je wil dat ik… wat?’ Ze moest er op letten dat haar volume zacht genoeg bleef. ‘Ik kan niet iemand…’ Ze kon het niet eens zeggen. Hoe kon hij van haar verwachten dat ze zoiets zou doen?

Hij greep haar onderarm vast. ‘Luister naar me.’ De grip van zijn vingers zorgden ervoor dat haar huid eromheen wit wegtrok. ‘Ik kan het niet doen. Ik kan niet vliegen en tegelijkertijd zoveel magie gebruiken. En geef toe, jij bent niet sterk genoeg om een luchtspiegeling in stand te houden.’

Nora zei niets. Hij wist toch al dat hij gelijk had.

‘Het is jij of zij,’ ging hij verder. ‘Maak het niet ingewikkelder dan het is. Zij zouden er niet over twijfelen een pijl in je hart te schieten en je vleugels af te snijden. Kies voor jezelf.’

Ze liet zijn woorden tot haar doordringen. Hij had gelijk. ‘Ik heb nog nooit iemand…’ Weer slikte ze dat laatste woord in. Het was te gruwelijk. ‘Ik weet niet hoe.’

Hij deed een stap dichterbij en trok haar dolk tevoorschijn. Ze kon zijn ademhaling horen. Hij ging achter haar staan en zette het wapen tegen haar nek. ‘Snijden, niet steken. Zorg dat de wond diep is. Je zult veel kracht moeten gebruiken.’ Hij liet de dolk zakken.

Nora draaide zich om. Zweet druppelde langs haar nek. Haar keel voelde opgezwollen. ‘Ik ben bang.’

Berrian gaf haar de dolk. ‘Ik ben vlakbij.’ Hij legde de drie middelste vingers van zijn linkerhand tegen haar voorhoofd. ‘Laat je leiden door Ela’daín.’

Ze voelde een koude wind langs haar huid stromen. Vergelijkbaar met een harde windvlaag, alleen hield dit aan. Ze keek naar haar vingers en zag dat die bijna niet meer zichtbaar waren. Ze reflecteerden de omgeving. Ik heb geen keus. Ze deed haar mantel af en gaf die aan Berrian. Ze spreidde haar vleugels. Zelfs die waren bijna niet meer te zien. Ze miste de goudgele kleur meteen. Voorzichtig fladderde ze een paar keer en toen ze ervan overtuigd was dat de magie stand hield, steeg ze op. Gelukkig voelde dit nog wel hetzelfde. Een gevoel van absolute vrijheid. De mogelijkheid om overal heen te gaan waar ze wilde. Ze keek naar de stad achter zich. Een gevoel dat niet klopt zolang ik hier blijf. Je weet wat je moet doen.

De stadsmuur was niet hoog. Net iets hoger dan de huizen. Nora greep de dolk steviger vast, voordat ze vlak achter de eerste wachter landde. Zonder er verder nog een gedachte aan te besteden zette ze de dolk tegen zijn hals en sneed ze, precies zoals Berrian had gezegd dat ze moest doen. De wachter viel dood op de grond.

Nora staarde naar het bloed dat rondom het lichaam van de man een plas vormde. Ze werd overvallen door misselijkheid. Haar eten kwam omhoog en ze kon er niets tegen doen. Ze braakte. Ze was te laat om de pijl te zien aankomen.

Een verblindende pijn schoot vanuit haar schouder naar haar vingertoppen. Nora gilde en viel op de grond.

‘Laat je zien, smerige fee!’

Ze kon zich niet laten zien. Ze wist niet hoe, dit was niet haar magie. Ze wist niet eens meer hoe ze moest reageren. De pijn was te overheersend. De pijn… De pijn…

Heel even werd het zwart voor haar ogen. Toen hoorde ze een vreemd, gorgelend geluid. Ze opende haar ogen en zag Berrian zich naar haar toe haastten. Hij bekeek de wond op haar schouder. ‘Het valt mee. Kan je vliegen?’

Nora probeerde tevergeefs haar vleugels te bewegen. Ze schudde haar hoofd. ‘Ga. Vlucht.’ Het zwart keerde terug.

Ze rook nat hout. Was ze in een cel gegooid? Waarom hadden ze haar niet gewoon laten sterven? Langaam nam de wereld weer vorm aan. Voorzichtig voelde ze aan haar schouder. Verband. Iemand heeft mijn schouder verbonden.

‘Berrian?’ Haar stem klonk zwak, bijna breekbaar.

Berrian pakte haar hand vast. Hij ademde zo hard uit, dat Nora zich afvroeg of hij dat al die tijd niet had gedaan.

‘Waarom ben je niet gevlucht?’

Een glimlach sierde zijn gezicht. Hij was eigenlijk best knap. ‘Wie zegt dat ik dat niet gedaan heb? Ik heb precies gedaan wat je zei. Ik heb jou gewoon meegenomen.’ Hij hielp haar te gaan zitten.

Nora keek naar haar handen. Het bloed van de wachter kleefde nog aan haar vingers, al zag het eruit alsof Berrian het er af had geprobeerd te vegen. Ze veegde haar handen nog een keer over haar broek om de restant bloed er af te krijgen. ‘Dank je.’

‘Wat had ik dan moeten doen? Zonder jou zal ik de vliegende stad niet snel vinden.’ Hij knipoogde.

‘Dat is waar.’ Ze glimlachte. Ze pakte haar tas en haalde een kaart van het land tevoorschijn. De brief van haar vader had ze niet nodig, ze had de coördinaten meteen uit haar hoofd geleerd. Het verwees naar een plek in de buurt van de bergen. ‘Volgens mijn vader zou de stad daar moeten liggen.’

Berrian bekeek de kaart. ‘Zolang we kunnen vliegen kunnen we daar met twee weken zijn.’ Hij knikte naar haar schouder. ‘Mag ik?’

Nora knikte. Ze probeerde niet te kijken terwijl hij het verband losmaakte. Ze beet op haar lip om zichzelf af te leiden van de pijn.

‘Het begint al mooi te genezen. Ik denk dat je morgen wel in staat zal zijn om te reizen.’

Berrians voorspelling bleek juist te zijn en de volgende dag lieten ze het hutje achter zich. Dag in, dag uit reisden ze door het land, waarbij ze de steden en dorpen vermeden. Op plekken waar de kans groter was dat ze mensen zouden tegenkomen borgen ze hun vleugels op en gingen ze te voet verder.

Nora leerde dat Berrian zijn ouders en zussen al vlak na de aankondiging van de koning was verloren. Hij had al die tijd voor zichzelf gezorgd, maar nadat er andere feeën waren ontdekt in de straat waar hij zich verborgen hield, had hij er toch voor gekozen de stad te verlaten. Ondertussen vertelde Nora hem over haar familie. Hoe ze was opgegroeid bij haar ouders, omdat haar vader veel aan het reizen was voor zijn werk en soms maandenlang weg was. Ze vertelde hem zelfs dingen over haar moeder, zoals dat ze een mens was geweest.

Berrian was niet geschokt dat Nora een half-fee bleek te zijn. ‘Ik had al zo’n vermoeden toen ik je oren zag,’ zei hij. ‘Ze zijn niet puntig genoeg.’

Elf dagen na hun ontsnapping uit de stad kozen ze ervoor om te overnachten in een bos. Ze zochten een open plek en maakten hun kampvuur.

‘Wat is je echte naam?’ vroeg Berrian.

Ze had hem net verteld dat Nora eigenlijk haar middelste naam was. Ze zuchtte. ‘E’latha,’ antwoordde ze. ‘Ik ben vernoemd naar mijn oma.’ Haar ogen brandden. Met alles wat er gaande was, had ze nog niet de tijd genomen om te rouwen om het verlies van haar oma.

Berrian kwam naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. Hij gaf haar een kus op haar hoofd. Verrast keek ze omhoog. Hij lachte naar haar en leunde naar haar toe.

‘Wacht,’ fluisterde ze. Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Ik heb nog nooit…’

‘Iemand gekust?’

Ze liet haar hoofd zakken. Haar wangen gloeiden.

Hij trok haar dichter tegen zich aan. ‘Geen zorgen. Ik kan wachten tot je er klaar voor bent.’

Ze liet haar hoofd op zijn schouder rusten en sloot haar ogen. Ze wist niet eens wat haar gevoelens voor Berrian waren. Ze was hem dankbaar dat hij haar had gered. Ze vond hem aardig en ze kon niet ontkennen dat ze hem aantrekkelijk vond. Over wat dat allemaal betekende zou ze later nadenken, in de veiligheid van de vliegende stad.

‘Nora, word wakker.’ Berrian schudde aan haar schouder.

Nora opende haar ogen en keek geschrokken om zich heen. Ze hoorde het geroep meteen. Ze waren omringd. Haar hart klopte in haar keel en haar ademhaling stokte. Berrian stond behoedzaam op, zonder geluid te maken. Hij hielp haar om ook overeind te komen. Ze ging dicht tegen hem aan staan en begroef haar gezicht in zijn schouder. Haar ademhaling ging haperend. Ze konden geen kant op.

‘Hé, jullie daar! Handen omhoog!’ Acht mannen kwamen tevoorschijn uit de bosjes. Ze hadden twee grote honden bij zich die dreigend gromden.

Nora zag meerdere kruisbogen. Wegvliegen was geen optie. Ze keek naar Berrian, maar ook daar vond ze geen hoop. Zijn ogen waren glazig. Hij keek naar de mannen. ‘Laat haar gaan en ik zal niet vechten.’

Een van de mannen richtte zijn kruisboog. ‘Dat kan ik niet, dat weet je. We hebben alle hulp nodig die we kunnen krijgen. Jullie zouden trots moeten zijn dat jullie dit voor het land kunnen doen.’

Nora snoof. ‘Wat? Onszelf opofferen, zodat jullie een gevecht kunnen winnen? Wat mij betreft mogen de schaduwen jullie en het land vernietigen! Ik hoop dat jullie zullen lijden!’ Ze greep Berrians hand vast. Ze keken elkaar kort aan en tegelijkertijd hieven ze hun hand op. Een windstoot vloog uit hun vingers en de wachters werden terug de struiken in geblazen.

Berrian keerde zich naar haar toe. ‘Ik kan niet wachten,’ fluisterde hij. Hij streek met zijn hand langs haar gezicht en kuste haar. Haar hart sloeg een slag over. Weer voelde ze de koude lucht langs haar huid strijken. Ze trok zichzelf los en bekeek haar verdwijnende ledematen. Angstig keek ze terug naar Berrian, die naar haar glimlachte. ‘Ga,’ fluisterde hij. ‘Vlucht.’

‘Niet zonder jou.’

‘Jawel.’ Hij legde zijn hand op haar borst en Nora voelde hoe ze door de lucht vloog. Ze sloeg haar vleugels uit en kwam tot stilstand in de lucht. Vanaf een hoogte zag ze hoe Berrian omringd werd door de wachters. Tranen stroomden over haar gezicht toen ze zich omdraaide en wegvloog.

De vliegende stad was mooier dan ze zich had kunnen voorstellen. De gekleurde gebouwen creëerden een sprankelende regenboog in het licht van de zon. Ze had het gered. De veilige haven, ver weg van de dreigingen van de koning. Nora had verwacht blijer te zijn, maar zonder Berrian en haar familie voelde het betekenisloos.

Berrian, als je nog leeft, dan beloof ik dat ik je niet zal vergeten. Ik zal een manier vinden om wraak te nemen, zelfs als dat de dood van iedere mens betekent. Ik zal doen wat ik moet doen.

Super bedankt Arlieke dat je een kortverhaal voor mijn blog wilde schrijven! Ik heb enorm genoten van dit verhaal.

Liefs, Melanie

*** Let op bloggen is een hobby voor mij, ik heb dan ook niemand die mijn teksten na kijkt op spelling want dat zou mij een paar 100 euro in de maand kosten. Ik heb dyslexie dus de kans is groot dat er hier en daar een spelfoutje in de tekst staat. Ik doe er alles aan om deze te voorkomen maar helaas is dat niet altijd mogelijk. ***

Bookstamel

Al jaren lang lees ik heel veel boeken. Daarom ben ik uiteindelijk een blog begonnen waar ik mijn passie voor boeken deel.

Dit vind je misschien ook leuk...

0 0 stemmen
Artikelbeoordeling
Abonneer
Laat het weten als er
guest
1 Reactie
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Joseph
Joseph
1 maand geleden

WOW … dat is gewoon bijna een novelette, wat een prachtig verhaal!!

1
0
Zou graag je gedachten willen weten, s.v.p. laat een reactie achter.x