Kortverhaal: Sneeuwvlokjesliefde door Anne May

Hey lieve lezers van Bookstamel, Het zondagse verhaal van deze week is geen nieuw verhaal maar wel een prachtig kort verhaal geschreven door auteur Anne May. Sneeuwvlokjesliefde past perfect bij de boeken die Anne May heeft geschreven. Ik las al een aantal van haar boeken gelezen zoals Liefde zonder oordeel, Liefde zonder verleden en Liefde zonder toekomst. Heb jij deze boeken nog niet gelezen dan is Sneeuwvlokjesliefde de perfecte kennismaking voor je om de boeken van Anne May te ontdekken.

Sneeuwvlokjesliefde.

Stars of Sorrow

When tears from diamond eyes do fall

There flees a memory I once recall

The longing for a time gone by

A dying star, no air at all

The spiraling path of what may be

Has chained my heart to never free

Regret and sorrow my soul for life

With tears dried up, no heart to see

I’ll mourn the days we’ve never had

As all our what ifs have chained

all our tomorrows

And all I remember are stars of sorrow.

-1-

Van alle hoofdzondes die er bestaan, bega ik vandaag de ultieme nummer één. Het opperhoofd van de hoofdzonde, zeg maar, en daar is de conciërge van het appartementencomplex niet blij mee. Met diepe vouwen in zijn voorhoofd bekijkt hij mijn AllStars en het plasje drap – een combinatie van natte sneeuw, strooizout en andere troep die aan mijn zolen is blijven plakken – dat zich eromheen vormt. Ik laat zichtbare vlekken achter op zijn schone vloer, en dat vindt hij zo te zien niet grappig. Zo onschuldig mogelijk kijk ik hem aan. Ik moet hem echt aan mijn kant hebben nu, anders kan ik met hangende pootjes terug naar waar ik vandaan kom, dwars door de ijskoude wind. Het enige wat ik echter terugkrijg is een nog diepere frons waarin zijn ogen lijken te verdwijnen onder die borstelige wenkbrauwen van hem. Hij doet me denken aan dat mopperende mannetje van The Muppet Show en onder andere omstandigheden zou ik erom moeten lachen, maar op dit moment is niets grappig. Ik moet nu echt naar boven.

‘Je wilt de sleutel van nummer 11?’ bromt hij. ‘De woning van meneer Schaackoord?’

‘Klopt.’ Ik knik zo hard dat de ijsvlokken van mijn muts dwarrelen. Nog meer nattigheid op de vloer. De Muppet kijkt er afkeurend naar.

‘Het punt is,’ ga ik verder. ‘We hadden een paar dagen geleden een feestje bij Ben, een soort Sinter-kerst-en-nieuw-receptie, schuine streep, housewarming, en nou ja, toen…’ Ik haal gehaast mijn schouders op. Die vent zal zelf toch ook wel, ergens in een ver verleden, jong zijn geweest? Of bezopen. Of stoned. Of gewoon in wat voor staat dan ook die gelijk staat aan ontoerekeningsvatbaar. Het lijkt me sterk dat ik hem moet uitleggen hoe het eraan toe gaat op een feestje. ‘Het was nogal best heftig.’

‘Dus dat was die pokkeherrie,’ mompelt hij. ‘Zullen zijn ouders leuk vinden, dat hun zoon de huisregels breekt. Zo zie je maar, een appel valt niet ver van de boom, behalve als ‘ie verrot is.’

‘Tja.’ Hoe moet ik daar nu een zinnig antwoord op geven? Ik wil hem niet beledigen, want ik heb wat van hem nodig en ervaring leert dat mensen tegen de schenen trappen niet in je voordeel werkt. Tenzij je als doel hebt die ander kwaad te krijgen, dan kan het effectief zijn, maar ik heb hem nu gewoon heel hard nodig. Ik wil namelijk heel graag die sleutel van Bens appartement. Hij heeft al drie dagen niets van zich laten horen en dat zit me niet lekker. Ben is altijd bereikbaar. Zelfs Gideons berichtjes negeert hij, en het is toch wel een ongeschreven regel om onze leadzanger niet te negeren. Tenzij hij onzin lult, wat ook regelmatig gebeurt, maar in andere gevallen kun je hem maar beter te woord staan.

Ik hups heen en weer. Niet om de Muppet zenuwachtig te maken, maar omdat ik het verrekte koud krijg. Nog meer sneeuwvlokjes dwarrelen van mijn muts naar beneden, op de schone vloer van die vent. Hij is schijnbaar nog steeds in conclaaf met zichzelf of hij wel of niet de huisregels gaat breken. Onder geen beding mag een huissleutel aan iemand anders dan de bewoner gegeven worden. Tenzij je een schriftelijke verklaring met toestemming van de hoofdbewoner kan overhandigen. Die wil ik best geven, maar dan moet ik eerst Ben te pakken zien te krijgen.

‘Het is een noodgeval,’ verzwaar ik mijn verzoek. ‘Ben voelde zich niet lekker tegen het einde van het feest, en ik ben bang dat er iets met zijn gezondheid is.’ Het is maar een halve leugen. Er was echt wel iets aan de hand met Ben toen ik als laatste het appartement verliet en ik weet niet of ik me schuldig moet voelen, of dat er ook nog iets anders in me is ontwaakt. Het heeft er in ieder geval toe geleid dat ik hier, na een paar uur doelloos dwalen door die vieze net-niet sneeuw, op de pas geboende granieten vloer sta te druipen.

‘Zijn gezondheid, zeg je?’ De Muppet heeft zijn wenkbrauwen voor de verandering hoog opgetrokken. Het is geen verbetering en ik hoop dat hij ze snel weer in die frons laat zakken. Die bezorgdheid in zijn ogen, die nu goed te zien zijn, maakt me ook een beetje bang. ‘Waren er signalen waardoor je je zorgen maakte? Had hij last van zijn linkerarm? Benauwd? Sprak hij moeilijk?’

‘Nee, nee,’ wimpel ik zijn bezorgdheid snel weg. Met wat hij nu allemaal opnoemt, staat er straks een ambulance voor de deur te loeien. ‘Hij was gewoon wat stil. Een beetje neerslachtig.’

‘Neerslachtig?’ Zijn hand gaat al in de richting van de telefoon. ‘Als in depressief?’

Oh nee. 1-1-2 is getransformeerd naar 1-1-3. Ik moet nu toch echt met iets goeds komen, anders staan hier straks echt alle hulptroepen paraat en heb ik het weer verpest.

‘Niet op die manier,’ nuanceer ik het. ‘Maar ik kreeg het gevoel dat hij met iemand wilde praten, of zo, en omdat ik nogal abrupt ben weggegaan, is dat niet gelukt. Dus ik wil nu gewoon even kijken of alles goed gaat met hem. Zijn mobiel was die avond stukgegaan, dus hij kan niemand bellen.’ Dat laatste vind ik wel heel goed gevonden van mezelf. De telefoon van Ben is nog prima in orde, want ik zie dat de vinkjes in WhatsApp blauw worden. Hij ziet ze dus wel, maar hij negeert me. En dat vind ik toch wel zorgwekkend.

Glimlachend probeer ik mijn kaken ervan te beletten te gaan klapperen als een stel castagnetten. Het levert me een medelevende blik op. Blijkbaar zie ik er niet uit als die smekende en aandoenlijk uitziende Puss in boots van Shrek, maar eerder als je het meisje met de zwavelstokjes, voorbestemd om koud en eenzaam te sterven in een hoekje.

‘Vooruit dan maar,’ verzucht de Muppet. ‘Maar ik moet wel je naam noteren.’ Hij schuifelt naar een kast achter in zijn hok – dat overeenkomt met een eenpersoonskantoor, inclusief luxueus koffiezetapparaat – waar hij tot mijn grote vreugde een sleutel pakt.

‘Maddox,’ antwoord ik direct. ‘Maddy voor vrienden.’

‘En jij bent een vriend van Ben?’ Hij doet iets langer over het woord ‘vriend’ dan over de rest.

‘We spelen samen in een band,’ voeg ik er als nutteloos detail aan toe. Wat gaat het die vent aan waar ik Ben van ken? Het enige wat ik wil is die sleutel. En die komt nog steeds niet mijn kant uit. ‘We spelen samen in de rockband Rebellion. Samen met Sam, onze drummer, en Gideon, de leadzanger. Zij waren hier afgelopen vrijdag ook.’ Het voelt bijna als een soort sollicitatiegesprek. ‘Reasons to die is internationaal een grote hit geweest.’

De Muppet heeft weer zijn frons in werking gesteld en knikt langzaam. Geen idee of hij op de hoogte is van de muziek van deze tijd. Ik kan nog wel wat meer opscheppen over wat we tot nu toe hebben bereikt en waar we allemaal hebben gespeeld, maar ik heb andere prioriteiten. Het liefst wil ik gewoon die sleutel uit zijn handen rukken en naar boven rennen. Stoppen met lullen en overgaan tot actie.

Net als drie dagen geleden.

‘Je moet hier nog wel even tekenen.’ Hij schuift zo’n officieel blaadje met pen en al over de tafel naar me toe. Het is een heel formulier dat ik zo snel als ik kan invul. Normaal gezien probeer ik dit soort dingen te ontwijken omdat ik niet weet wat er met deze gegevens gebeurt en onze manager heeft ons op het hart gedrukt niet zomaar persoonlijke gegevens te delen. Dit is echter een noodgeval, dus zelfs al zou de Muppet mijn banknummer willen weten met pincode en al, dan zou ik die zonder twijfel geven. Als ik maar naar Ben kan.

‘Thanks.’ Ik graai de sleutel van zijn tafeltje af en ren naar boven. Het zijn maar vijf trappen en toch raast mijn hart door mijn lijf alsof ik zojuist een marathon heb afgelegd. Bij de voordeur twijfel ik. Buiten stormt het en de wind loeit om het gebouw. Mijn handen trillen als ik de sleutel in het slot probeer te steken. Zou dat van de kou komen, of misschien toch iets anders?

‘Stel je niet zo aan,’ mompel ik. In de reflectie van het raam zie ik mezelf. Logisch dat ik zenuwachtig ben. Wat heeft iemand zoals ik nou te bieden aan iemand zoals Ben? Zelfs mijn plek in de band is discutabel, niet omdat ik een slechte muzikant ben, maar ik voel me geen muzikant. Sam en ik hadden ooit een gek idee en dat is een beetje uit de hand gelopen, maar dat wil niet zeggen dat ik the real thing ben als het om muziek gaat. Ik ben gewoon Maddy, die goed overweg kan met een basgitaar, maar ik ben geen bassist zoals sommigen in andere bands. De echte stoere mannelijke basgitaristen. Zelfs de vrouwelijke basgitaristen hebben iets stoers over zich. Dat kun je van mij niet zeggen. Hoe erg ik ook mijn best doe, het blijft een toneelstuk.

Voorzichtig duw ik de voordeur een stukje verder open. Ik stap over mijn zelfhaat heen, zo op de mat waarop home staat.

Home.

Ben heeft gewoon een deurmat met dat kneuterige woordje home erop. Het valt me nog mee dat hij dat ding niet gelijk heeft weggegooid na Sams tirade over soortgelijke producten in combinatie met kleinburgerlijkheid, geestelijke mishandeling en weet ik veel wat hij er nog meer bij haalde. Het punt is: na drie zinnen van Sam is iedereen het erover eens dat hij zich terug moet trekken achter het drumstel en moet doen waar hij goed in is: rammen met die stokken.

‘Ben? Ben je thuis?’ vraag ik zachtjes als ik de deur achter me sluit. Het grapje ‘Ben thuis’, laat ik achterwege. Nu ben ik net zo humorloos als een angstig persoontje dat tijdens een sneeuwstorm het duistere bos in loopt.

‘Ben?’ probeer ik nogmaals, maar nu iets luider. De stilte in het appartement werkt verlammend. Verloren sta ik in de gang met als enige geluid het razen van mijn hart dat tekeer gaat. Geruisloos loop ik verder. Zelfs ademhalen voelt als iets wat ik beter niet kan doen. Ik ben bang om de stilte te doorbreken, maar ik ben nog veel banger voor de storm die geheid gaat komen. Waarom moet ik altijd alles kapotmaken? Tien jaar lang vriendschap door de gootsteen, alleen maar omdat ik mezelf niet kon inhouden. Hoe langer ik erover nadenk, hoe stommer ik mijn actie vind. En er is niets wat ik de schuld kan geven, behalve mijn eigen verlangen dat al in me sluimert vanaf het moment dat ik aan Ben voorstelde om mee te doen met de band.

Op de middelbare school hadden Sam en ik namelijk bedacht dat we de nieuwe The Rolling Stones werden. Met z’n tweeën werd dat lastig en dus vonden we ergens een zanger die niet alleen overtuigend kon lullen, hij had ook een zwager die we achter het keyboard konden zetten. Die zwager in kwestie was Ben en hoewel Ben wat vaag was over zijn relatie met de zus van, wilde hij wel bij de band komen. Het zou maar tijdelijk zijn omdat Ben niet echt de uitstraling van een stoere rocker had, eerder van baby-Spice, maar dan met bruine ogen en donkere krullen die alle kanten opsprongen. Ben bleek echter voor altijd. We wisselden van zanger, namen een andere naam en scoorden hit na hit. En bedwelmd door al het succes, dacht ik wel dat ik kon doen waar ik al tien jaar van droomde, en waarvan ik stiekem dacht dat Ben er ook van droomde. Met als gevolg dat het hier nu dood- en doodstil is.

‘Ben?’ Mijn stem klink al iets harder. Ik open de deur naar de woonkamer en dankzij de bizarre indeling overzie ik het appartement meteen. Eerst krijg je de keuken, dan ga je met een trappetje naar beneden naar een soort woonkamer, en dan met de volgende trap naar de slaapkamers. Ben heeft dus een appartement met meerdere slaapkamers.

De keuken ziet er nog net zo uit als toen ik hier drie dagen geleden vertrok: opgeruimd. Ik had me namelijk opgeworpen als schoonmaker. Met een reden, uiteraard. Want met die smoes kon ik het langst blijven en was ik uiteindelijk alleen met Ben.

Mijn blik dwaalt verder door het appartement dat nog niet echt sporen vertoont van de nieuwe bewoner. Een standaard keuken met witte kastjes, zwart aanrecht en twee witte barkrukken. Een donkerbruine pvc-vloer, een lichtbruine lederen bank en een enorme paarse poef. Op het kleine metalen bijzettafeltje staat een whiskyglas. Eentje maar. Hoewel we nog met z’n tweeën waren.

‘We kunnen het glas wel delen,’ zei ik. En niet alleen het glas.

Ben schrok zich uiteraard te tyfus toen ik dat zei. Waarschijnlijk had het feit dat ik mijn hand op zijn wang legde er iets mee te maken. Zelf was ik er ook wel een beetje ondersteboven van.

Langzaam ga ik het trappetje af naar de woonkamer. Er is niets anders meer te zien, behalve de boekenkast met Bens verzameling. Hij heeft alle boeken van Roald Dahl en mijn handen jeuken om De GVR te pakken en me weer onder te dompelen in die geweldige fantasierijke wereld. Maar daarvoor ben ik hier niet. Ik ben hier voor een vreemde realiteit die maar niet werkelijk wil worden voor mij.

Ik heb het echt gedaan.

En ben toen heel hard weggerend.

‘Ben?’ De trap naar de slaapvertrekken lijkt angstvallig zijn gekraak in te houden, bang om me te verraden. De wind die hard tegen de ramen slaat, sterft weg met iedere stap die ik naar beneden doe. De deur naar de badkamer staat open. In mijn hoofd hoor ik Sam nog toeteren dat het ook gewoon echt een grote-mensenbadkamer is met twee wasbakken. Ben wees hem subtiel op het feit dat de andere slaapkamer ook een badkamer had. Het daaropvolgende voorstel van Sam om voortaan de Rebellion-sleepovers dan maar hier te organiseren, kreeg Bens standaard kwaaie kop als antwoord. Ik denk dat zijn ouders gek zouden worden als ze horen dat hij hier met zijn vriendenclubje feestjes organiseert. Van wat ik heb begrepen, betalen zijn ouders ongeveer het volledige huurbedrag per maand, inclusief de maandelijkse bijdrage aan de flatvereniging. Dan kan ik beter de feestjes bij mij in het kraakpand organiseren. Dat gebouw moet binnenkort toch gesloopt worden.

‘Ben, geef alsjeblieft antwoord.’ De wanhoop klinkt door in mijn stem. Allebei de slaapkamerdeuren zijn dicht en ik heb geen idee welke ik als eerste open zou moeten doen. Tot mijn teleurstelling ging de rondleiding niet verder dan de badkamer. Ik zou liegen als ik niet heel graag een kijkje had willen nemen in Bens slaapkamer.

Over een verborgen agenda gesproken.

De eerste kamer waar ik naar binnen wil stappen, staat vol met dozen, een strijkplank, een koffer, een kledingrek en zelfs Bens keyboard staat hier ‘opgeborgen’. Het ziet eruit als een kamer die niet bij Ben hoort. Veel te rommelig.

Eerbiedig, alsof ik een geheim heb ontdekt dat ik niet had mogen zien, sluit ik die deur en ga naar de volgende. Als ik deze open, kan ik niet meer terug. Dat wil ik ook niet. Ik wil door met wat we in beweging hebben gezet. Hoe eng en nieuw het ook is.

Binnen valt de duisternis me zwaar. Langzaam wennen mijn ogen aan het donker en zie ik het licht dat door de gordijnen gluurt. In het midden van de kamer staat een groot tweepersoonsbed. Ben ligt met zijn rug naar me toe, zijn arm over de deken. Zijn donkerbruine krullen steken af tegen de turquoise stof van zijn dekbed.

‘Het is koud buiten,’ zeg ik omdat ik geen idee heb hoe ik dit gesprek moet beginnen.

‘Met Driekoningen in het land, komt ook de vorst in het vaderland,’ klinkt het mompelend vanonder de deken.

‘Klinkt goed voor een songtekst,’ probeer ik lollig te zijn. Het heeft geen effect. ‘Ze zeggen dat het kan gaan sneeuwen. Echte sneeuw. Niet van die natte troep zoals nu.’ Ben is gek op sneeuw, hopelijk klaart hij hiervan op.

‘Het sneeuwt al dagen in mijn hoofd.’ Ben draait zich om en kijkt me aan met die chocoladebruine ogen van hem. Ik smelt meteen. Zelfs nu heeft Ben iets guitigs over zich, net een jonge pup die iets ondeugends gaat uithalen.

‘Ben je komen lopen?’ vraagt hij terwijl hij rechtop gaat zitten. Zijn haar staat alle kanten uit. Het liefst zou ik er met mijn handen doorheen willen gaan, maar het enige wat ik kan doen is mijn schouders ophalen. Nu pas voel ik hoe koud ik het heb in mijn natte kleding.

‘Ik was toch onderweg.’

‘En nu?’

‘Ben ik waar ik zijn moet.’

-2-

‘Weet je dat zeker?’ Ben gaat nog iets rechterop zitten. Hij heeft een zwart T-shirt aan met het logo van Rebellion erop. Het zit strak om zijn schouders en als ik de studs die bij de kraag zitten zie, snap ik hoe dat komt: dit is mijn shirt, een maatje kleiner dan dat Ben heeft. Het dringt langzaam tot me door dat hij iets draagt wat eigenlijk van mij is. Ik had het aan hem uitgeleend nadat ik hem van de zomer nat had gespoten tijdens een spontaan watergevecht tussen hem en mij. Ben was tot op de huid doorweekt en had geen droge kleren bij zich. Ik toevallig wel en al die tijd heeft dat shirt bij hem gelegen. Wie weet heeft hij er vaker in geslapen.

Mijn hart en lijf weten niet zo goed hoe ik deze informatie moet verwerken. Zou hij voor mij dan toch hetzelfde voelen als ik voor hem? Ben kijkt me nog steeds vragend aan.

Ik knik. ‘Ja, ik weet dit zeker.’ Met trillende handen doe ik mijn trui uit en knoop mijn jeans los. Mijn boxer houd ik voor de zekerheid nog aan. Niet omdat ik bang ben naakt te zijn, niet voor Ben, maar ik wil nog even tijd rekken om mezelf volledig te laten zien. Ik stap naast hem in bed en druk mijn lijf tegen hem aan. Onze warmte mengt zich met elkaar.

‘Jij lijkt wel bevroren.’ Ben wrijft met zijn voeten over mijn twee ijsklompjes.

‘Het is koud buiten,’ zeg ik. Onder de dekens pak ik zijn hand vast. Onze vingers verstrengelen zich en een tijdlang zitten we zo naast elkaar, Bens voetzool verwarmend over de wreef van mijn voet. Zijn kuit tegen mijn scheenbeen. Onze bovenbenen zo dicht tegen elkaar dat ze bijna één zijn. Hoe ga je vanaf hier verder? Ik heb ervaring. Maar niet met Ben. Niet met iemand die ertoe doet.

‘Je was ineens weg,’ fluistert Ben.

‘Ja.’ Ik weet ook niet zo goed waarom ik het gelijk op een lopen zette. ‘Je keek me een beetje geschrokken aan.’

‘Lijkt me wel logisch, gezien wat er gebeurde, toch?’

‘Ja.’ In films kijken ze altijd blij verrast of intens gelukkig als ze die langverwachte kus krijgen. Bens gezichtsuitdrukking kwam daar niet eens bij in de buurt. Ik weet zelf ook niet hoe ik eruitgezien moet hebben, maar Ben keek alsof hij sneeuwvlokjes zag branden. ‘Was je bang-schrokken, of blij-geschrokken?’

‘Wat denk je zelf?’

‘Uhm.’ Jeetje, wat is dit moeilijk ineens. Met dank aan mijn dromen en fantasieën weet ik precies hoe het vervolg van dit gesprek moet gaan verlopen, maar de werkelijkheid vraagt blijkbaar om nog wat meer woorden. ‘Ik heb denken een beetje afgeschaft de laatste tijd,’ beken ik.

‘Tuttebol.’ Ben duwt zachtjes tegen mijn schouder. Ik leun bewust een beetje extra terug zodat ik de druk van zijn huid tegen de mijne voel. We hebben wel vaker zo gezeten, we hebben zelfs wel vaker in hetzelfde bed geslapen, maar nog nooit met het uitspreken van ons verlangen zo dichtbij. Aan de manier waarop Ben cirkeltjes draait met zijn wijsvinger op de rug van mijn hand, voel ik dat we allebei hetzelfde willen. Het is ook te horen aan zijn ademhaling, die nog iets versnelt als hij naar me toe buigt en mijn schouder kust.

‘Oké?’ fluistert hij. Ik knik en geef hem in mijn beweging iets meer de ruimte zodat hij zijn weg naar mijn mond kan kussen. Zijn lippen landen zachtjes op mijn sleutelbeen, mijn hals, mijn kin, mijn wang en dan, vlak voor mijn mond, blijft hij hangen. Hij is zo dichtbij, ik kan hem bij wijze van al proeven en heel mijn lijf staat in de startblokken voor wat komen gaat, maar wat we blijkbaar nog niet helemaal durven. Drie dagen geleden dreef de whisky ons. Mijn lippen op de zijne, mijn tong hongerig op zoek naar de bevestiging van de vraag die ik niet durfde te stellen, en Bens handen op mijn borst. Die afwijzing, en toch weer niet, want ík was degene die terugdeinsde, van de bank sprong en met allerlei flauwe excuses Bens appartement verliet.

En nu zitten we hier. In zijn bed, met zijn lippen zo dicht bij me dat het net zo bijzonder is als dat het vanzelfsprekend is. Ik hoor zijn hart razen. In zijn donkerbruine ogen zoek ik naar een hint voor de volgende stap. Gaat hij die zetten, of moet ik over de brug komen? Het voelt alsof ik nog iets moet zeggen, maar geen enkel woord voelt vertrouwd. Alles is nieuw, en zodra Ben zijn hand op mijn blote buik legt weet ik dat we voorgoed veranderd zijn. Ik hap naar adem en direct vind ik Ben. Zijn lippen en de mijne die langzaam versmelten tot ze in één beweging op elkaar reageren. Het is de perfecte choreografie tussen hem en mij. Zijn tong daagt de mijne uit en daar ga ik maar al te graag in mee. Ik proef hem, ik voel hem en wil hem nog meer. We tasten af en dagen uit. De warmte van zijn handpalm gloeit op mijn huid. Schokkerig verlaat mijn adem mijn mond als hij verder naar beneden daalt. Het onderbreekt heel even onze kus. De emotie in zijn ogen wordt anders. Tastbaar, vragend en misschien ook wel een beetje bang. Dit is serieuze shit. We zijn de grens over. Definitief, en we willen allebei hetzelfde want ik herken mijn wens in zijn ogen. De diepte aan mogelijkheden die oneindig lijkt. Weer vinden onze monden elkaar, maar ditmaal vol van bevestiging. Die vertraging van eerder heeft plaatsgemaakt voor iets anders. Een verlangen dat onmiskenbaar wordt. Met iedere kus, iedere streling vormen wij onszelf. De twee welpjes die we waren zijn jonge leeuwen geworden die elkaar uitdagen en al spelend grenzen ontdekken en verleggen. We kussen, strelen, likken en bijten, tot het punt waarin we ons verliezen en ik mijn gebrul smoor in zijn mond. Ben bijt vervolgens vol in mijn lip en zo blijven we nog een tijdje liggen. De cocon waarin we ons bevinden koesterend. Heel even is alles stil. Zelfs de storm buiten is gaan liggen.

Ik open mijn ogen. Ben kijkt me aan. Een gloed van avondrood trekt over zijn gezicht. Die vier kleine woordjes liggen op mijn lippen. Misschien ook wel op de zijne. We brengen ze samen en eindigen waar we mee begonnen waren. Heel langzaam zoenend. Alsof we alle tijd van de wereld hebben.

-3-

‘Wat bedoelde je met “het sneeuwt in mijn hoofd”?’ vraag ik als we na een praktische pauze – wc, douchen, aankleden en eten – in het open raamkozijn zitten met een glas whisky. Ik draai het glas rond in mijn handen om zijn blik te ontwijken. Ben blaast kleine wolkjes in de koude grijze lucht.

‘Gewoon. Alles wat er is gebeurd, dwarrelde als sneeuwvlokjes door mijn hoofd. Telkens als ik dacht dat ik het begreep, smolt het in mijn handen.’

‘En nu? Heb je er een sneeuwpop van weten te maken?’ Met mijn hoofd leun ik tegen het hout van het kozijn aan. Van een afstandje bestudeer ik zijn gezicht. Ben heeft het uiterlijk van iemand die nooit ouder gaat lijken dan twintig. Dat frustreert hem weleens, omdat hij standaard zijn ID moet laten zien als hij een fles drank wil kopen, maar het geeft hem ook iets magisch. Alsof hij als enige voor eeuwig jong blijft. Toch is er nu iets in hem veranderd. Hij is nog mooier dan dat hij al was, omdat ik heb mogen zien hoe hij echt zichzelf is. Snel neem ik een slok van mijn whisky. Zou hij het ook zo ervaren hebben met mij, en wat zou hij dan gezien hebben?

‘Nee, maar ik denk wel dat ik het los moet laten. Het leven is in feite als sneeuw, je kan je er niet aan vasthouden want het smelt.’

‘Diepzinnig.’ Ik wil een volgende slok nemen om Bens woorden beter te begrijpen, maar hij pakt het glas uit mijn handen en zet het zelf aan zijn lippen.

‘Samen spelen, samen delen, lieverd.’

‘Hebben wij dat net ook gedaan?’

‘En hoe.’ Ben glimlacht als hij nog een slokje neemt. Hij kijkt me onderzoekend aan. ‘Wat is er?’

‘Niets.’ Ik trek de wollen muts wat verder over mijn oren heen. Het wordt kouder, maar dat is niet de reden waarom ik begin te rillen. ‘Denk je dat het zo gaat sneeuwen?’

‘Ik hoop het.’ Ben wiebelt met zijn benen heen en weer. Als hij zou willen, zou hij zo naar beneden kunnen springen en verdwijnen in de donkere nacht. Weg van mij, dansend in de sneeuw die nog gaat komen.

‘Ik snap nog steeds niet wat jij zo magisch vindt aan sneeuw.’ Niet dat ik het niet mooi vind, maar Ben lijkt er echt gelukkig van te worden.

‘Omdat het eigenlijk een samenvatting van het leven is. Je hebt water, het verdampt, komt in een wolk en dan ineens als het heel koud wordt, en donker, dwarrelen er prachtige sneeuwvlokjes naar beneden. Zo werkt het ook met alle shit in je leven. Je kan erin verdrinken, en tegelijkertijd is het een soort eerste levensbehoefte, en net op het moment dat je denkt dat het niet erger of kouder kan worden, krijg je zoiets moois. En liefde is als sneeuw. Het is niet vanzelfsprekend en als het er is moet je het koesteren, want het smelt zodra je het aanraakt.’

Geen idee of hij me in de maling zit te nemen, maar voor de zekerheid neem ik het glas maar van hem over. ‘Ik denk dat jij genoeg hebt gehad.’

‘Denk je dat?’ Ben schuift giechelend mijn kant op. We zaten al dicht tegen elkaar, maar nu zitten we praktisch tegen elkaar aangeplakt. We zijn zo dichtbij, dat elkaar nu zoenen net zo vanzelfsprekend is als ademhalen. Ik twijfel alleen of we dat wel zouden moeten doen, zelfs in het donker zou iemand ons kunnen zien. En hoewel ik mijn liefde voor Ben van de daken wil schreeuwen, wil ik het ook nog even van ons houden. Gewoon wij twee samen in een bubbel.

‘We hoeven het nog niet met iedereen te delen, toch?’ De twijfel die ik in mijn eigen stem hoor, drink ik weg met een slok whisky. De drank brandt in het achterste van mijn keel. ‘Binnen de band zou het ook niet goed ontvangen worden,’ ga ik verder. ‘Gideon wordt gek, denk ik, en Sam gaat het ons ook lastig maken.’

Gideon heeft er niets mee te maken en Sam is sowieso een aansteller als het hem uitkomt, maar dat zeg ik niet.

‘En wat betreft ouders en familie en vrienden en zo,’ zegt ik na nog een flinke slok. ‘Aan hen hoeven we toch ook niet gelijk, je weet wel?’ Ik giet het laatste restje whisky achterover.

‘Maddy.’ Met zijn vinger gaat Ben langs de contouren van mijn gezicht om al die zorgen weg te strelen. De wolken buiten worden donkerder. De wind is gaan liggen, en de eerste sneeuwvlokjes dwarrelen voorzichtig naar beneden.

‘Pas als jij zover bent, vertellen we het,’ stelt hij me gerust. ‘Tot die tijd is het van ons alleen.’

‘En wat als ik nou nooit zover ben?’ Het is mijn grootste angst die steeds meer werkelijkheid wordt. Wat als ik nooit degene kan zijn die Ben verdient? Dat ik, Maddy, nooit genoeg zal zijn. Of dat ik, wie ik echt ben, niet degene is voor wie Ben nu gevoelens heeft.

‘Ooit ben je zover.’ Ben buigt naar me toe en kust me met een belofte van veel meer. ‘En als de sneeuwvlokjes vallen,’ mompelt hij al zoenend, ‘dan zal je zien dat we er zijn.’

Dankjewel Anne May dat ik sneeuwvlokjesliefde met de lezers van Bookstamel mag delen.

Heel veel liefs, Melanie

Benieuwd geworden naar de andere korte verhalen? Die vind je onder het kopje Korteverhalen of druk even op de blauwe link.

*** Let op bloggen is een hobby voor mij, ik heb dan ook niemand die mijn teksten na kijkt op spelling want dat zou mij een paar 100 euro in de maand kosten. Ik heb dyslexie dus de kans is groot dat er hier en daar een spelfoutje in de tekst staat. Ik doe er alles aan om deze te voorkomen maar helaas is dat niet altijd mogelijk. ***

Bookstamel

Al jaren lang lees ik heel veel boeken. Daarom ben ik uiteindelijk een blog begonnen waar ik mijn passie voor boeken deel.

Dit vind je misschien ook leuk...

1 reactie

  1. Joseph schreef:

    Prachtig omschreven. Heel mooi!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

CommentLuv badge